Overslaan naar inhoud

Samenwerken aan betere jeugdhulp

Een stelsel dat groeit en onder druk staat
17 mei 2026 in
Samenwerken aan betere jeugdhulp
Aspectu BV, Menno van Leewen


Achtergrond

Met de meeste kinderen en jongeren gaat het goed. Ze groeien op en hun opvoeders (in brede zin) vervullen daarbij een centrale rol. Soms is er echter meer nodig. Kinderen en jongeren zijn dan goed af als ze de noodzakelijke en passende ondersteuning snel en samenhangend ontvangen en niet langer dan nodig. Ieder mens heeft het recht op en wil autonoom kunnen functioneren. Dat is de kern van de ambitie achter de Jeugdwet die in 2015 werd ingevoerd: hulp dichtbij huis organiseren, eigen kracht versterken, zorg toegankelijker maken en niet langer inzetten dan nodig is. Die ambitie is waardevol en breed gedragen.

Tegelijkertijd laat de praktijk van de afgelopen tien jaar zien dat de groei van het stelsel een schaduwkant kent. Sinds de decentralisatie zijn de kosten van de jeugdhulp gestegen van 3,6 miljard naar 8,1 miljard euro in 2024 — een gemiddelde jaarlijkse stijging van circa negen procent. Het aantal aanbieders is sterk gegroeid en het stelsel is verder versnipperd geraakt: meer organisaties, meer overdrachtsmomenten en langere trajecten voor cliënten. Professionals ervaren hoge werkdruk, regeldruk en onvoldoende ruimte voor vakmanschap. Er heerst een tekort aan professionals en de verwachting is dat het tekort aan uitvoerende professionals in de toekomst blijft toenemen als het stelsel blijft groeien.

De gedachte heerst ook dat het stelsel onevenwichtig groeit. Dat de toetreding van kleine aanbieders een verschuiving heeft veroorzaakt naar lichtere hulp waarop meer wordt verdiend en dat cliënten met lichte hulpvragen, omdat zij verhoudingsgewijs steeds meer budget krijgen, de cliënten met zware hulpvragen verdringen.

Cliënten met zwaardere hulpvraag zijn de dupe van de schaarste: Een misvatting?

Wanneer we over de periode 2018-2025 naar bijna 50.000 unieke cliënten kijken, blijkt dat het aandeel (unieke) cliënten met een langlopende hulpvraag (> 2 jaar) circa 50% is en dat 80% van het budget aan dit segment is gekoppeld.

Als we deze peiling alleen over 2019 en 2024 doen is de mix vrijwel gelijk. Met andere woorden het aantal cliënten met een langlopende (doorgaans zwaardere hulpvraag) neemt even snel toe als de cliënten met een kortlopende (vaak lichtere) hulpvraag en de budgetverdeling blijft vrijwel gelijk over deze hulpvraagsegmenten. De budgetten verschuiven dus niet significant of structureel naar de lichtere of naar de zwaardere cliënten. De verhouding blijft, gemiddeld gezien, gelijk in de gemeenten die Aspectu bedient.

80% van het budget is dus al meerdere jaren verbonden aan de groep cliënten die langer dan 2 jaar in het jeugdstelsel hulp ontvangen. Als we de cliënten met een langlopende lichtere hulpvraag er afhalen blijkt dat circa 30% van de unieke cliënten met een zwaardere hulpvraag 70% van het budget vragen (het Pareto principe).

Worden de 30% cliënten met een langer lopende hulpvraag en 70% van het stelsel-budget goed geholpen?

Hieraan is een fundamenteel vraagstuk verbonden. Worden gezinnen die nu langdurig (>2 jaar) een beroep doen op geïndiceerde jeugdhulp goed ondersteund? Heeft de hulp blijvend (positief) effect? Zetten de professionals voldoende in op de eigen kracht en het netwerk van de cliënt? Zou het beter of even goed zijn als er minder specialistische hulp wordt ingezet en meer laagdrempelige ondersteuning via school, het voorliggend veld of algemene voorzieningen? 

Hebben we de juiste verwachtingen van de verbeterprogramma's in het sociaal domein? Hebben we onze focus goed afgestemd op de werkelijkheid of varen we in de mist, zoals de commissie Van Ark in haar evaluatie van de Hervormingsagenda constateerde, en koersen we op een ongecalibreerd (data) kompas?

Het jeugddomein is een complex adaptief systeem: onzekerheid en onvoorspelbaarheid zijn daarin geen uitzondering, maar een inherent gegeven. Definitieve antwoorden op bovenstaande vragen zijn er dan ook niet. Wat er wél is, is een gedeelde overtuiging dat de ruimte voor verbetering groot is — en dat die ruimte benut kan worden. In Veenendaal is dat uitgangspunt omarmd als vertrekpunt voor een gezamenlijke verkenning: wat zien samenwerkende partijen, en wat kunnen zij samen in beweging zetten?

De Samenwerking in Veenendaal

In Veenendaal hebben 12 zorgaanbieders, het CJG en de gemeente het bestaande stelsel als vertrekpunt gekozen: het gegeven. De overtuiging die aan de samenwerking ten grondslag ligt, is dat structurele verbetering in een complex stelsel als de jeugdhulp ontstaat wanneer betrokken partijen gezamenlijk eigenaarschap ontwikkelen over de richting én de uitvoering. Wetenschap over organisatienetwerken in complexe omgevingen bevestigt dit: samenhang groeit wanneer partijen vanuit gelijkwaardigheid een gezamenlijke koers bepalen en die koers vervolgens intern verankeren in processen, werkwijzen en cultuur.

De aanpak in Veenendaal is langs die lijn ingericht. In een eerste fase is de ruimte genomen om met alle deelnemers te verkennen wat de werkelijkheid van cliënten, medewerkers, organisaties en beleid hen leert. Die verkenning verliep open en gelijkwaardig — zonder dat één partij de agenda bepaalde. Het gesprek werd gevoerd in een gevarieerd gezelschap van mensen uit de uitvoering, teamleiding, contractmanagement, beleid en directie. Juist die diversiteit aan perspectieven bleek de basis voor een rijke, gedeelde grondslag.

Een gezamenlijk kompas: Ketenverkorting en ketendefragmentatie

Uit die gezamenlijke verkenning is het centrale thema naar voren gekomen dat de lange-termijn focus vormt van de samenwerking:

  • Ketenverkorting — het verkorten van de tijd en het aantal schakels in het pad van een cliënt.
  • Defragmentatie — het versterken van de samenhang. Minder betrokken professionals en als er meerdere organisaties betrokken moeten zijn, werkt dat beter wanneer die organisaties hun aanpak op elkaar afstemmen, gemeenschappelijke doelen delen en de cliënt een herkenbaar en consistent traject bieden.

Het thema Ketenverkorting en defragmentatie is vervolgens concreet gemaakt langs vier perspectieven die als gezamenlijk kompas fungeren:

  • Cliëntperspectief: Wat ervaart de cliënt van de belemmeringen in het stelsel en wat merkt de cliënt van de verbeteringen die in de groep worden uitgewerkt?
  • Medewerkersperspectief: Geeft de aanpak professionals meer ruimte voor vakmanschap, betere samenwerking en meer voldoening?
  • Organisatieperspectief: Draagt de verbetering bij aan een gezonde, toekomstbestendige bedrijfsvoering?
  • Beleidsperspectief: Sluit de aanpak aan bij de maatschappelijke opdracht, de eisen aan transparantie, duurzaamheid en de betaalbaarheid van het stelsel?

Dit kader biedt alle deelnemende organisaties een gemeenschappelijke taal. Geen keurslijf, maar een gedeeld richtpunt van waaruit ieder de interne vertaalslag maakt.

Hoe verbeterlijnen landen in de dagelijkse praktijk

Met de gezamenlijke grondslag als fundament zijn de deelnemende organisaties nu actief aan de slag vanuit hun eigen organisatieontwikkelagenda. De inzichten die gezamenlijk zijn opgebouwd, worden ingebed in lopende trajecten — in intake- en verwijsprocessen, in de samenwerking met aanpalende aanbieders, in de professionele ontwikkeling van medewerkers en in de interne kwaliteitscyclus.

Implementatiewetenschap laat zien dat verbeteringen beter beklijven wanneer zij aansluiten bij de bestaande energie en ontwikkeltrajecten van organisaties. Zo ontstaan verbeterlijnen die organisch groeien, breed worden gedragen en niet afhankelijk zijn van een tijdelijk project of een pilot.

We noemen dit verrijkt stelsel-DNA: de gezamenlijk opgebouwde inzichten en verbeteringen worden onderdeel van de manier waarop organisaties denken, samenwerken en handelen. Elke organisatie doet dat op haar eigen manier en tempo, vanuit haar eigen context — maar met hetzelfde geijkte kompas.

Een aanpak gedragen door vakdeskundigheid en vertrouwen

Wat het traject typeert, is de manier waarop het is doorlopen. Gegrond in wat wetenschap en gezamenlijke praktijkervaring leren over effectieve netwerksamenwerking. Met aandacht voor ieders eigenheid. Vanuit de overtuiging dat de gezamenlijke kennis en ervaring in de groep groter is dan wat één partij alleen zou kunnen inbrengen — en dat dit het fundament is voor duurzaam verbeteren.

Goed vakmanschap in de jeugdhulp vraagt volgens het NJi om professionals die samen met kinderen en gezinnen kunnen afwegen welke hulp nodig en passend is. Als de professionals op basis van inhoud de ketens voor gezinnen met langlopende multicomplexe (domeinoverstijgende) hulpvragen verkorten en de fragmentatie verminderen heeft dat meerdere positieve effecten:

  1. Cliënten zijn beter geholpen en bewegen meer en sneller richting autonomie en eigen kracht,
  2. Medewerkers hebben meer voldoening van het werk, waardoor verzuim en verloop afnemen,
  3. Organisaties worden gezonder en beter,
  4. Het stelsel wordt (financieel) beter houdbaar, meer intrinsiek gedreven en toekomstbestendiger.

Wellicht ten overvloede: We concentreren ons in deze blog vooral op de 30% van de cliënten die samen 70% van de budgetten vragen met een doorkijk naar de 50% die 80% van het budget vragen. Voor de andere 50% van de cliënten die 20% van de budgetten vragen voor veelal kortdurende hulp en meer enkelvoudige hulpvragen gelden andere sturingsvragen, die in dit stuk niet worden belicht.

Doorkijk: leren en zichtbaar maken

De komende periode staat in het teken van reflectie op wat de verbeterlijnen opleveren. Bereiken de verbeteringen de cliënt? Merken medewerkers dat hun werk soepeler verloopt en meer ruimte biedt voor vakmanschap? Wordt de keten korter en meer samenhangend? Wat is er nog meer nodig? Hoe breiden we het geleerde uit?

Die vragen beantwoorden we samen, als lerend netwerk. Zo groeit de samenwerking in Veenendaal van een gezamenlijk opgebouwde grondslag naar een structurele verbetering van het jeugdhulpstelsel — voor de kinderen en gezinnen die dat stelsel nodig hebben, voor de professionals die zich elke dag volledig inzetten, en voor de betaalbaarheid en kwaliteit van de hulp op de lange termijn.

Samenwerken aan betere jeugdhulp
Aspectu BV, Menno van Leewen 17 mei 2026
Labels
Archiveren
Samenwerken aan een kortere jeugdhulpketen in Veenendaal
Uitwerken van 8 verbeterinitiatieven uit de praktijk